vrijdag 19 mei 2017

Weduwe



Maar ik had het over de telefoon. Zoals ik al zei, hij gaat vaak. Ze willen niet dat ik alleen zit, ze willen mij niet laten denken dat ik in hun ogen onaanraakbaar ben geworden omdat de dood mijn huis heeft bezocht. Ze willen dat ik erover praat. Ik mag huilen, graag zelfs, zodat ze kunnen laten zien dat ze mijn ontroostbaarheid aankunnen. Er is blijkbaar niets zo zuiverend voor het gevoel van eigenwaarde als helemaal aan de afgrond van andermans verdriet gaan staan en laten zien dat je niet duizelig wordt. Hier krijg je niet te horen dat het leven verder gaat. Hier is ruimte om te jammeren en te huilen, ik hoef de kraan alleen maar open te draaien. Ik merkte het al tijdens de begrafenis, die te lange, te veelzeggende blik of juist andersom, een gemaakte normaliteit, alsof ze mij wilden laten zien dat ze best wisten dat er geen woorden voor waren.
 Natuurlijk ben ik onrechtvaardig. Wat moeten de mensen met iemand die is achtergebleven? Ze doen wat ze kunnen, maar het probleem is dat ik in sociale verbanden het liefst met rust word gelaten, terwijl ik in de diepe nacht met rotsvaste zekerheid alleen ben, steeds als ik een omhelzing goed zou kunnen gebruiken.



Uit: Vaak ben ik gelukkig
P.C. Grondahl
Meulenhoff

donderdag 18 mei 2017

Onvruchtbaar




Hoe beter ik Henning leerde kennen, des te meer ging ik van hem houden. Hij had een paar keer gevaren op een van de schepen van de rederij en hij vertelde over de steden waar ze waren aangemeerd in Zuid-Amerika. Hij had een keer een week doorgebracht in Montevideo, omdat de eerste stuurman naar het ziekenhuis moest. Hij las me voor uit het dagboek dat hij aan boord had geschreven. Zijn woorden deden me denken aan die kleurige Japanse papieren bloemen, die zich openvouwen uit een schelp die je in een glas water legt. Hij kon ervoor zorgen dat een naam als Montevideo zich openvouwde in mijn gedachten. Terwijl hij las zag ik alles heel duidelijk voor me, ook al was ik er nooit geweest. Voordat hij bij de rederij was gaan werken, had hij gedichten geschreven en ervan gedroomd dat die zouden worden uitgegeven, maar dat was natuurlijk kansloos. Hij zei het met een glimlachje.
Hij zei steeds dat hij van mij hield en dat hij kinderen met mij wilde. We hebben het ook geprobeerd, we bleven het proberen, totdat ik al mijn moed bijeenraapte en me liet onderzoeken en een duidelijke boodschap kreeg.
Hij heeft me een hele nacht vastgehouden en bleef maar fluisteren dat het niets uitmaakte, en ik wist dat hij loog.



Uit: Vaak ben ik gelukkig.
Jens Christian Grøndahl
Meulenhoff

zaterdag 15 april 2017

Handelsvertegenwoordiger.




De vaders van Nico's klasgenootjes gingen 's morgens naar hun werk en waren voor het avondeten weer thuis. Ze draaiden dan wat aan de keuzeknop van de radio, en sloegen als man van de wereld de krant open in afwachting van de roep om aan tafel te komen. Onder het voorgerecht vroeg moeder hoe vaders dag was geweest, en als de kinderen geluk hadden, bracht hij verslag uit, of anders maakte hij een scène over de te hete soep waaraan hij zijn mond brandde.
Nico had als enige van de hele klas een vader die vertegenwoordiger was. De man nam op zondagavond de bus of de trein, of allebei, naar een afgelegen provincieplaats, waar hij zijn weekendtas vol toiletspullen en de koffer met de modelstofzuiger in een kamer van het tevoren geboekte pension of goedkope hotel neerzette. Er bleef hem vervolgens weinig anders over dan samen met de vertegenwoordigers die de andere kamers bezetten ( ze reisden in encyclopedieën, kinderwagens en zesennegentigdelige serviezen) een biljartje gaan leggen in het centrale dorpscafé- een bezigheid die op wwekavonden werd gehandhaafd.
Kortweg, zijn vader zoop als een handelsreiziger, vooral op vrijdag, wanneer de arbeid erop zat. Als de kleine Nico, aanvankelijk aan de hand van zijn moeder en in later jaren alleen, zijn vader van het station of de bushalte ging halen, was het de man aan te zien. Zo klein als hij was, lette Nico speciaal op de uitwendige tekenen, vooral met het oog op de trammelant die zijn moeder er later zou over maken: de wijde gezichtsporiën, de vochtwallen onder de bloeddoorlopen ogen, de kerven in de droge lippen. Tijdens de wandeling naar hun portiekwoning probeerde Nico's vader zijn zure jeneveradem te verdrijven door tekauwen op drie, vier stuks Stimorol tegelijk. Volgens de zoon ging hij er alleen maar meer door stinken - naar mottenballen en azijn.
Nico, slepend met de weekendtas ( de man droeg zelf de koffer met het stofzuigwonder), bad onderweg onophoudelijk dat het thuis geen ruzie zou worden. Twee van de drie keren gebeurde dat toch, war steevast bekrachtigd werd met een dreun van de voordeur. Ze zagen hem de volgende dag pas weer, wanneer hij rond het middageten uit bed kwam.
Voordat Nico's vader op zondagavond het huis verliet, voerde zijn moeder een hysterische scène op, waarbij ze soms veinsde in katzwijm te vallen. Ook de kleine Nico zag met pijn in het hart de man voor bijna een volle week weggaan, maar snapte niets van mama's gekrijs. Papa ging toch zeker voor hun drieën centjes verdienen, zodat ze konden eten en in hun huis mochten blijven wonen? Steeds vaker klonk bovendien uit haar mond het dreigement dat ze zich, als hij " niet veranderde", van hem zou scheiden. Nico verwachtte van zijn vader dat hij op zo'n moment ging bidden en smeken, alles om hun gezegende driemanschap te behouden, maar steeds vaker was zijn antwoord : " Als ik iets moet tekenen hoor ik het wel."
En weg was hij, met achterlating van een menggeur van aluin, brillantine en zware shag.


Uit: Kwaadschiks
A. J. Th. van der Heijden
De bezige bij.  

maandag 27 februari 2017

Hulplijn



Mijn vrouw, mijn vrienden en de voorzitter van Het Genootschap van Ongelukkigen bidden allemaal dat ik in slaap val en mijn deel in het leven krijg. Ze hebben gelijk dat ze zich bevoorrecht voelen, want zij die slapen zijn koningen die elke dag geboren worden, gezond en kalm, buiten het ziekenhuis, zonder dat ze de barenskreten kennen. Ik benijd hen omdat ze zo goedhartig en rustig zijn. Mij kun je wispelturig en ongemanierd noemen, want ik ben niet in staat mijn ziel heimelijk en zonder bescherming aan de dag uit te leveren. Bovendien ben ik ongelovig en van plan opnieuw de strijd met de apotheek aan te binden. Daarom zal ik vanaf vandaag niet meer naar de dokter gaan. Het probleem is dat ze je verbieden alcohol te drinken wanneer je de chemische pillen en insecticiden inneemt die ze je met een brede glimlach verstrekken.. De verpleegster gaf me  ook een telefoonnummer van een zelfmoordhulplijn.
Denken jullie misschien dat ik een grapje maak? Of hebben jullie daarvan nog nooit gehoord? De verpleegster zei letterlijk: "Als je voelt dat je iets gevaarlijks gaat doen, kun je dit nummer bellen. Dan komen ze meteen." Toen ik hoorde dat er een speciale ambulance is om zelfmoordplegers te redden, kon ik het niet geloven. Maar gaat het ze om het redden van mensen of zijn ze alleen maar nieuwsgierig naar verhalen over mislukte zelfmoordpogingen? Welke debiele zelfmoordenaar legt eerst zijn hoofd in een strop en pakt vervolgens zijn mobiele telefoon uit zijn zak om de eerste hulp te bellen?
 
Bedankt, mevrouw. Geef me het telefoonnummer maar van uw organisatie. U heeft mooie ogen. En die prachtige bloem... ik bedoel die oorbel. Is het een narcis?


Uit : Lijkententoonstelling
Hassan Blasim
Uitgeverij Jurgen Maas  Amsterdam

zaterdag 18 februari 2017

Witte frakken



Een mens probeert zo lang mogelijk uit handen te blijven van al die witte frakken. Het is een soort wedloop op krukken tegen de tijd, met uw eigen lijf als inzet en trofee. Nooit moogt ge aan die gasten toegeven, nooit u door hen laten beoordelen, tenzij helaas bij geval van heirkracht of vanwege een  val zoals ik die heb gemaakt. Zodra ze hun klauwen in u hebben geslagen is uw lijf het hunne. Ze stellen uw dood uit zonder u hierin te erkennen. Voor ge het beseft druppelen er maanden vagevuur via een infuus bij u binnen. Voor ge het weet wordt ge, zelf op de rand van de dood zijnde en daar naar verlangende, een soortement van chemisch vat in dit ondermaanse.  En dat is wat me zo woest kan maken, dat ge uzelf de illusie van vrijheid hebt opgelepeld om dan, helemaal op het einde, alsnog uw lijf en leden aan de onvrijheid over te leveren. Op het einde is dan zelfs het uitzicht op de dood geen troost, maar wordt de door anderen ingefluisterde hoop op beterschap ingezet als een balletje stuiterend op de roulettetafel, uw lijf wordt de uitkomst van een spel tegen de eeuwige bank met een minder eeuwige spaarrekening, tegen een onvermijdelijkheid waar zelfs de volledige chemie van heel de haven niets tegen vermag. En hoe lang het dan ook nog mag duren, ge gaat bankroet op uw en ieders kosten met een paar witte frakken die er beter van worden, die samen met een hele wereld van pillendraaiers en chemoreuzen het geld uit de kassa grabbelen. Daarbij worden de zegeningen van de wetenschap geroemd, daar worden zinnen geijld zoals: " Kijk hoe ver onze kennis al staat."  Daarvoor laten ze u strompelen naar de dood als een uitgeputte galeislaaf. Schuifelend in uw pyama door de gang een hunner hospitalen, uwe kop suf, vastgeketend aan een bakster, prijzen ze uw moed en vechtlust, alsof het gevecht nog maar pas is begonnen. Moed? Dat heet moed? Ge zijt er godmiljaar vet mee. Bankroet, finaal verloren, helemaal op eind dan toch onvrij. Dat mag nooit gebeuren. Liever sterf ik als een hond op straat. Dat is moed.


Uit: Wil
Jeroen Olyslaegers
De Bezige Bij

dinsdag 14 februari 2017

vrijdag 10 februari 2017

Cinema Rex

De bioscoop REX in Antwerpen werd het slachtoffer van de zogeheten V-2 bom en verwoestte de volgepakte bioscoop volledig.In totaal werden 567 dodelijke slachtoffers geborgen. Daarnaast raakten er nog 291 mensen gewond. 16 december 1944


Tastend door het stof, happend in de ijskoude winterlucht, zo ziet uw overgrootvader de eerste mensen vanonder het puin van Cinema Rex verschijnen, gelijk levende doden, met een verdwaasde blik en bloed dat uit hun oren loopt, niet wetend welke hel ze hebben achtergelaten en in welke onderwereld ze nu zijn terechtgekomen. De raket, het Vergeldingswapen Twee, heeft zich diep in een overvolle cinema geboord, als een bliksemschicht door een Arische god geslingerd, een god die zich geen zak meer aantrekt of hij doel treft of niet, als de schrik er maar goed in zit. Schrik? Ge moogt gerust zijn. De stad is bevrijd, maar haar bewoners bibberen vol honger en wanhoop in kelders. Moeder en vader wonen er nu al een maand of drie  in en ook al heeft zij die zich mijn moeder noemt een bedje daar voor mij gespreid, met een triest stukje stof als gordijn tussen hun slaaapplek en hopelijk die van mij, ik blijf ondanks haar ondraaglijk smeken volhouden dat de kelder niks voor mij is en dat ik nog liever sterf als het moet. Want als de bommengooiers en lichtflitsende moordenaars mijn naam op hun tuig hebben geschreven, gelijk de ongenadige en nu vooral rancuneuze opperwezens die ze zijn, dan helpt niks nog, dan maakt het niet uit of ge ligt te stinken tussen uw zogenaamde ouders in een kelder, dan zijt ge gedoemd en daarbij: doodgaan doet ge toch, ge doet het dagelijks.
Amper twee dagen na de nu al meer dan tweehonderdvijftig lijken en de ontelbare gewonden die op een koude namiddag naar Buffalo Bill wilden kijken op het zilveren scherm - zoveel lijken zelfs dat de Amerikanen hebben besloten  om de vermorzelde en uiteengereten lijven tijdelijk onder te brengen in de dierentuin, gezien alle lijkenhuizen zo vol zitten dat ze deuren niet meer dicht krijgen - zegt mijn Yvette dat ze zwanger is, dat mijn zaad ons beiden te vlug is af geweest en er dat een nieuw leven komt in een stad waar de dood rondwaggelt als een volgevreten maar nooit voldane, strontzatte en roekeloze hoerenbok.


Uit: Wil
Jeroen Olyslaegers
De Bezige Bij